Een faillissement betekent vaak dat er simpelweg niet genoeg geld is om iedereen te betalen. Voor het loon van werknemers geldt bovendien de loongarantieregeling van het UWV. Je zou daarom misschien verwachten dat een curator die het loon na faillissement niet tijdig kan betalen, niet ook nog wordt geconfronteerd met rente en een wettelijke verhoging.
Dat ligt sinds FNV/Geelen q.q. anders. In deze zaak beantwoordde de Hoge Raad de vragen van de Rechtbank Limburg over hoe de wet op dit punt moet worden uitgelegd. Het eindvonnis van deze rechter van 17 juni 2026 laat vervolgens zien wat deze uitleg in de praktijk betekent.
Wat als de boedel geen geld heeft?
De zaak speelt in het faillissement van Brabant Alucast The Netherlands Site Heijen B.V. Na het faillissement zegt de curator de arbeidsovereenkomsten van de werknemers op. Gedurende de opzegtermijn loopt het loon door. Dat loon is op grond van artikel 40 lid 2 Faillissementswet een boedelschuld. Die moet in beginsel uit de boedel worden betaald. Alleen was er geen vrij actief beschikbaar om het loon tijdig te voldoen.
Het UWV nam op grond van de loongarantieregeling een deel van de verplichtingen over. Daarmee was de zaak echter niet afgedaan. FNV stelde zich op het standpunt dat werknemers bij te late betaling ook aanspraak hebben op wettelijke rente en de wettelijke verhoging wegens te late loonbetaling. Dat roept een interessante vraag op: wat gebeurt er als de curator het loon wel moet betalen, maar daarvoor eenvoudigweg geen geld heeft?
Ontslaat een lege boedel de curator van rente en verhoging?
Die vraag kwam eerst bij de Hoge Raad terecht. In zijn prejudiciële beslissing van 13 februari 2026 (FNV/Geelen q.q., ECLI:NL:HR:2026:239) maakte de Hoge Raad duidelijk dat een gebrek aan geldmiddelen geen overmacht oplevert. Dat heeft gevolgen. Wordt loon dat op grond van artikel 40 lid 2 Fw een boedelschuld is niet tijdig betaald en is aan de overige voorwaarden voldaan, dan kan daarover wettelijke rente verschuldigd zijn. Die rente is zelf eveneens een boedelschuld.
Voor de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW geldt in essentie hetzelfde. Deze verhoging kan bij te late loonbetaling oplopen tot 50% van het verschuldigde loon. Ook deze aanspraak verdwijnt niet vanwege het enkele feit dat de werkgever failliet is, dat de boedel onvoldoende middelen heeft of dat het UWV op grond van de loongarantieregeling betalingen verricht.
Hebben rente en verhoging dezelfde rang?
Voor de afwikkeling van een faillissement is van belang welke positie deze vorderingen binnen de boedel innemen. Daarbij maakt de rechter een onderscheid. Dat onderscheid wordt met name relevant wanneer de boedel onvoldoende financiële middelen bevat om alle boedelschuldeisers volledig te voldoen.
- De wettelijke verhoging is een preferente boedelschuld. Het voorrecht van artikel 3:288 onder e BW is daarop van toepassing.
- De wettelijke rente is eveneens een boedelschuld, maar heeft dat voorrecht niet. De rente is dus een concurrente boedelvordering.
Moet de curator werknemers zelf informeren?
Een werknemer zal niet altijd weten dat hij naast het loon ook aanspraak kan hebben op wettelijke rente en wettelijke verhoging. Kan de curator dan afwachten totdat een werknemer zich meldt? In deze zaak niet. Volgens de Hoge Raad kan een behoorlijke taakuitoefening meebrengen dat een curator een schuldeiser zelf informeert wanneer hij bekend is met een boedelschuld en weet of vermoedt dat deze schuldeiser zijn aanspraak niet kent. Voor de situatie van werknemers kan worden volstaan met een kennisgeving, bijvoorbeeld bij of kort na de opzegging, waarin wordt gewezen op mogelijke aanspraken op loon, wettelijke verhoging en wettelijke rente. De Rechtbank Limburg verbindt daar in deze zaak een duidelijke conclusie aan: de curator moet werknemers uit eigen beweging informeren over hun aanspraken op wettelijke rente en wettelijke verhoging.
Dat maakt de uitspraak ook praktisch relevant. De communicatie met werknemers bij de opzegging van arbeidsovereenkomsten gaat daarmee verder dan alleen het informeren over het ontslag en de loongarantieregeling. Ook de mogelijke aanspraken op wettelijke rente en wettelijke verhoging moeten daarbij onder de aandacht worden gebracht.
En de wettelijke verhoging van maximaal 50%?
Hier zit nog een open einde: de wettelijke verhoging kan door de rechter worden gematigd als de omstandigheden daartoe aanleiding geven. Partijen discussieerden ook in deze procedure over matiging. De rechtbank kwam daar echter niet aan toe, omdat daarop geen vordering was gericht.
Voor curatoren is dit geen onbelangrijk detail. De vaststelling dat wettelijke verhoging verschuldigd is, zegt dus nog niet zonder meer welk bedrag uiteindelijk betaald moet worden. Of en tot welk bedrag matiging mogelijk is, vraagt een beoordeling van de omstandigheden van het concrete geval.
Wat betekent deze uitspraak voor curatoren?
Een faillissement zet het arbeidsrecht niet stil. Een faillissement verandert veel, maar gedurende de opzegtermijn blijft de arbeidsverhouding bestaan. Het ontbreken van middelen in de boedel maakt de gevolgen van te late loonbetaling niet vanzelf ongedaan. Sterker nog: daardoor kunnen naast het loon nieuwe boedelschulden ontstaan.
Voor de curator heeft dat twee kanten. Bij de inventarisatie van de boedel moet rekening worden gehouden met mogelijke rente en wettelijke verhoging over niet-tijdig betaald loon. Tegelijkertijd verlangt een behoorlijke taakuitoefening in een geval als dit dat werknemers over die aanspraken worden geïnformeerd. De werknemer hoeft dus niet zelf te ontdekken dat de boedel hem mogelijk méér verschuldigd is dan alleen achterstallig loon.
Juist waar arbeidsrecht en faillissementsrecht elkaar raken, blijkt het faillissement niet het einde van de normale arbeidsrechtelijke regels. Soms begint daar juist een nieuwe boedelverplichting.
Wil je weten wat deze uitspraak voor jouw situatie betekent? Neem contact met ons op voor persoonlijk advies.
Waar kunnen we jou mee helpen?
Heb je vragen of hebben we je al overtuigd? Neem vrijblijvend contact met ons op.