Kritiek die raakt, en deels terecht is
Recent las ik de berichtgeving in het NRC over o.m. het faillissement van Crown Van Gelder. In twee artikelen werd scherpe kritiek geuit op de Nederlandse faillissementswet en in het bijzonder de rol van de curator. Er zou sprake zijn van weinig transparantie, hoge kosten en een veelal gebrekkig systeem door een rechter-commissaris die voor informatie afhankelijk was van de curator, die hij juist moet controleren. Kortom een beeld van curatoren die vooral bezig zijn met het vullen van hun eigen zakken.
Als curator gaat die kritiek mij uiteraard aan het hart. Een deel van de kritiek is ook zeker niet onterecht. De faillissementswet, een aanpassing daargelaten, dateert nog uit 1839. De benoeming van curatoren door de rechtbank is niet altijd inzichtelijk, ook niet voor curatoren zelf. De wijze van toezicht op de curatoren kan wellicht moderner en transparanter. Als beroepsgroep moeten we daarin naar mijn mening niet conservatief zijn.
Een ongecontroleerd systeem?
Maar wie deze krantenartikelen uit het NRC leest, krijgt het beeld van een vrijwel ongecontroleerd systeem waarin curatoren vooral bezig zijn met het schrijven van uren en het frustreren van een reddingspoging. Dat beeld herken ik, en met mij veel collega’s, in het geheel niet.
Een curator wordt door de rechtbank benoemd en heeft als wettelijke taak de belangen van de gezamenlijke schuldeisers te behartigen. Dat is geen abstract juridisch begrip, maar een harde realiteit. In een faillissement is er bijna altijd te weinig geld. Banken hebben zekerheden, de Belastingdienst en het UWV hebben wettelijke voorrangsposities. Wat resteert, is vaak beperkt. Iedere beslissing van een curator heeft dus directe financiële gevolgen voor verschillende groepen: leveranciers, werknemers, aandeelhouders, bestuurders en soms nieuwe investeerders.
Onafhankelijkheid betekent impopulaire keuzes
Het vorenstaande brengt met zich dat een curator niet kan handelen vanuit sympathie voor één partij. Ook niet voor een nieuwe eigenaar met ambitieuze plannen. Het is aan de curator om onafhankelijk te beoordelen wat in het belang is van de gezamenlijke schuldeisers. Soms is dat een doorstart. Soms is dat verkoop in onderdelen. Soms is dat procederen om vorderingen te incasseren of aansprakelijkheden vast te stellen. Altijd is dat door onderzoek te doen naar onregelmatigheden die mogelijk hebben geleid of in grote mate hebben bijgedragen aan het faillissement. De inspanningen van de curator kosten tijd en geld, maar het alternatief, niets doen, is zelden in het belang van de schuldeisers.
Onderschatte complexiteit
In de berichtgeving wordt sterk de nadruk gelegd op het aantal bestede uren en de kosten. Dat is begrijpelijk: miljoenenbedragen spreken tot de verbeelding. Wat minder aandacht krijgt is de complexiteit van in het bijzonder grote faillissementen. Denk aan internationale contracten, energieafspraken, verpande activa, personeelsvraagstukken en mogelijke bestuurdersaansprakelijkheid. Bovendien zijn grote faillissementen eerder uitzondering dan regel. In faillissementen met een lege boedel dient de curator alsnog zijn werkzaamheden te verrichten.
Het idee dat een curator in een paar weken “even” moet vaststellen wat er is gebeurd en vervolgens zonder discussie een doorstart moet faciliteren, doet geen recht aan die werkelijkheid.
Toezicht en controle kan beter, maar is er wel
Ook de suggestie dat curatoren nauwelijks gecontroleerd worden, is te kort door de bocht. Voor vrijwel iedere belangrijke stap, van het starten van een procedure tot het aangaan van een schikking, is toestemming nodig van de rechter-commissaris. Declaraties worden beoordeeld. Verslagen zijn openbaar. Is dat systeem perfect? Nee. Kan het transparanter? Zeker. Maar het beeld van een volledig gesloten bolwerk zonder toezicht is een karikatuur.
Praktijk breder dan Zuidas
Wat mij persoonlijk stoort, is de toon alsof curatoren per definitie een eigen financieel belang nastreven dat haaks staat op dat van de boedel. Alsof procederen altijd een verdienmodel is. In de praktijk is procederen vaak een lastige afweging. Win je, dan vloeit er mogelijk geld terug naar de boedel. Verlies je, dan zijn er kosten gemaakt die niet kunnen worden teruggedraaid. Die beslissing wordt niet lichtvaardig genomen.
Opvallend vond ik bovendien de suggestie dat een buitenlandse investeerder zich zou hebben laten bijstaan door “kleinere kantoren die de Nederlandse faillissementswet niet doorgronden”. Alsof kwaliteit uitsluitend te vinden zou zijn op de Zuidas. Wie in de praktijk werkt, weet dat specialistische kennis van insolventierecht in heel Nederland aanwezig is, ook buiten de grote Amsterdamse kantoren. Sterker nog: veel complexe faillissementen worden succesvol afgewikkeld door regionale specialisten die dicht bij ondernemers en werknemers staan.
Breder perspectief
Een faillissement is geen zwart-witverhaal van goed en fout. Het is een juridisch en financieel krachtenveld waarin belangen botsen.
Ja, het systeem kent verbeterpunten. Meer uniformiteit in benoemingen, modernisering van toezicht en verdere professionalisering van verslaglegging zijn bespreekbaar en wenselijk. Maar laten we het debat voeren op basis van nuance en feiten, niet op basis van één casus waarin de teleurstelling van één partij begrijpelijk groot is.
De curator is geen tegenstander van ondernemerschap. Hij of zij is een onafhankelijke afwikkelaar in een situatie waarin de schade al is ontstaan. Dat werk vraagt vakmanschap, integriteit en soms impopulaire keuzes. Wie alleen de kosten ziet, mist het bredere perspectief.
Heb je vragen of zoek je ondersteuning? Neem dan contact op met mij of een mijn collega’s van de afdeling ondernemingsrecht.
Waar kunnen we jou mee helpen?
Heb je vragen of hebben we je al overtuigd? Neem vrijblijvend contact met ons op.